Lesstof

 

Om het Theoretische examen te behalen, blijkt dat de lesstof van het examen daadwerkelijk bestudeerd dient te worden.

 

 

Proefexamen van het

Theoretisch examen

Het theoretische examen van het vleermuisvangsysteem is één van de twee intreecriteria tot het behalen van de status van zelfstandig vanger. Hieronder zijn tien zogenaamde “testvragen” in de vorm een proefexamen te maken.

Algemeen


1. Het is zomer. Je moet binnen 1 dag een gebied inventariseren. Welke methode ga je inzetten om de aanwezigheid van tweekleurige vleermuis in een gebied aan te tonen?

Methode 1: batdetector
Methode 2: mistnet vangst in het bos
Methode 3: kerkzolderonderzoek
Methode 4: mistnet vangst bij een ondergronds verblijf

A. Methode 1
B. Methode 2
C. Methode 3
D. Methode 4


Ethische Richtlijnen

2. Hieronder staan twee stellingen. Welke van deze stelling(en) is/zijn volgens de “Ethische richtlijnen van het Vleermuisvangsysteem” juist?

Stelling 1: Er is altijd één iemand verantwoordelijk voor het verloop van een vangactie;
Stelling 2: Bij een vangactie dienen ten minste drie personen aanwezig te zijn.

  1. Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist
  2. Stelling 2 is juist, stelling 1 is onjuist
  3. Beide stellingen zijn juist
  4. Beide stellingen zijn onjuist

3. Open vraag:

Je bent alleen en je gaat op de volgende plekken netten neer zetten: Plek 1 en 3: een net laag net boven een bospad,. Plek 2 een net boven een poeltje van 0,5 meter diep, Plek 4: 2 netten boven elkaar (in totaal 6 meter hoog). Is dit uit het oogpunt van vleermuis belangen ethisch verantwoord? Beargumenteer waarom je dit vindt.

………………………………………………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………………………………………………

 

Beschrijven

4. Hoe kun je in maart zien of het mannetje een voorgaand jaar seksueel actief is geweest?

  1. Door de vergrote penis
  2. Door de vergrote teelballen
  3. Door de lichter gekleurde bijballen
  4. Door de vorm van de teelballen

5. Open vraag:

Noem vier vleermuissoorten waarvan tijdens de paartijd de bukkale klieren duidelijk opzwellen.

……………………………………………………………………………….……………………………………………………………………………….……………………………………………………………………………….……………………………………………………………………………….………………………………………………………………………

6. Je vangt een volwassen vale vleermuis en meet de onderarm. Welke range (in mm) ligt BINNEN de range van de onderarm van volwassen dieren?

  1. 30-40
  2. 40-50
  3. 50-60
  4. 55-65

7. Hieronder staan een aantal stellingen over het meten van maten bij vleermuizen. Welke is/ zijn juist?

Stelling 1: De onderarm van een ruige dwergvleermuis wordt gemeten inclusief het polsgewricht;
Stelling 2: De maat van de vijfde vinger is inclusief het polsgewicht;
Stelling 3: De lengte van de duim van grootoorvleermuizen wordt exclusief de nagel gemeten.

  1. Stelling 1 en 2 zijn juist;
  2. Stelling 2 en 3 zijn juist;
  3. Stelling 1 en 3 zijn juist;
  4. Alle stellingen zijn juist


Determinatie


8. Het oor en de tragus van een franjestaart zijn aangevreten. Je ziet dat het een myotis-soort is. Welke kenmerken heb je nodig voor de soortdeterminatie?

Kenmerk 1: De lengte van de duim
Kenmerk 2: De vorm van het spoorbeen
Kenmerk 3: Het aantal plooien in de vlieghuid

  1. Kenmerk 1 en 2 zijn juist.
  2. Kenmerk 1 en 3 zijn juist
  3. Kenmerk 2 en 3 zijn juist
  4. Kenmerk 1, 2 en 3 zijn juist.

9. Bij de vangst van een dwergvleermuis worden er enkele stellingen gedaan. Welk(e) stelling(en) is/ zijn juist?

Stelling 1: Ik kijk altijd eerst naar de ribbel in de neus. Dan sluit ik tenminste één van de drie soorten uit
Stelling 2: Ik kijk altijd bij de linkervleugel naar de vleugeladering. Dan weet ik welke soort ik in handen heb.

  1. Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist;
  2. Stelling 1 is onjuist, stelling 2 is juist;
  3. Beide stellingen zijn juist;
  4. Beide stellingen zijn onjuist.

10. Franjestaart en ingekorven vleermuis kunnen op elkaar lijken. Wat zijn de onderscheidende kenmerken?

Kenmerk 1: De vorm van het spoorbeen
Kenmerk 2: De haren op de snuit

  1. Kenmerk 1 is juist, kenmerk 2 is onjuist.
  2. Kenmerk 1 is onjuist, kenmerk 2 is juist
  3. Beide kenmerken zijn juist
  4. Beide kenmerken zijn onjuist.

11. Over de penisvorm van de beide baardvleermuizen worden enkele stellingen gedaan. Welke is/ zijn juist?

Stelling 1: Brandts vleermuis heeft een verdikte penis.
Stelling 2: Baardvleermuis heeft een verdikte penis.

  1. Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist.
  2. Stelling 2 is juist, stelling 1 is onjuist
  3. Beide stellingen zijn juist
  4. Beide stellingen zijn onjuist.

    Via deze link is een antwoordmodel te vinden.
    Attachments:
    Download this file (locatie2.pdf)tekeningen[ ]
    Download this file (2008  Onderscheid alcathoe-brandtii-myst.pdf)Onderscheid alcathoe brandti mystacinus[ ]
    Download this file (oefenslides.pdf)oefen determinatie[ ]
    Download this file (2902.pdf)Determination key Dietz en Von Helversen[Determination key Dietz en Von Helversen]